maandag 27 maart 2017

Reïncarnatie zonder sterven

Iets dat geen duidelijk begin kende, hoeft ook geen duidelijk einde te hebben. Als mensen mij vragen hoe lang ik ‘al bezig’ ben met mijn transitie dan antwoord ik vaak dat ik al mijn hele leven worstelde met de vraag welk gender de mijne is. Dat is niet overdreven, want al zo lang als ik me kan herinneren is er het verlangen geweest om me als vrouw te uiten. Maar de menselijke neiging om alles in heldere projecten af te bakenen honorerend, antwoord ik dan vaak in tweede instantie dat ik in 2010 in een training voor persoonlijke ontwikkeling voor het eerst hardop uitsprak dat ik mijn vrouwelijke kant meer wilde gaan uiten. Dat zou je als een helder, markant startpunt van mijn transitie kunnen noemen. Maar ja, die transitie was toen natuurlijk al lang begonnen want zo’n uitspraak doe je niet zomaar. In de maanden daarna kreeg het stoutmoedige plan heel aarzelend vorm. Toen ik zo’n anderhalf jaar later aan dit blog begon te schrijven, heette mijn transitie officieel nog een onderzoek – zodat ik me niet gebonden hoefde te voelen aan de betekenis of consequenties ervan.

Na vijf jaar aarzelen, verlangen, proberen, ontkennen, knokken, verliezen, opkrabbelen en doorgaan, schrijf ik voor de laatste keer op dit blog. Bijna 600 blogposts vulde ik met in totaal bijna 400.000 woorden. Woorden die – voor mijn gevoel – nog niet voor de helft vatten wat er de afgelopen vijf jaar met me gebeurd is. Woorden die door honderden lezers gelezen werden en door velen gewaardeerd, zoals bleek uit de persoonlijke berichten die ik heb ontvangen. Het doet me goed te weten dat al mijn woorden niet alleen mijzelf dienstig geweest zijn in het begrijpen van mijn eigen zoektocht, maar dat ook anderen er steun, herkenning en inspiratie aan ontleend hebben.

Dit blog is klaar. Zo voelt het voor mij. Ik zou nog genoeg kunnen schrijven over wat zich afspeelt in mijn leven, in mijn gevoelens en in mijn gedachten. Maar de praktijk wijst uit dat ik het niet doe. Dat ik tegenwoordig minder dan eens per maand schrijf maakt duidelijk dat dit blog zijn einde heeft gevonden. Het is tijd voor iets nieuws. Misschien opent zich hierna eindelijk de langgewenste ruimte om deze 400.000 woorden om te vormen tot een boek, om via een nieuw kanaal bij te dragen aan de bekendheid en acceptatie van transgenders.

Mijn transitie is nog lang niet klaar en zal ook nooit een helder einde kennen. Ik leef als vrouw, dat is waar. Maar ik heb niet het idee dat ik het nieuwe spoor van mijn leven al helemaal te pakken heb, voor zover het in mijn natuur ligt om dat gevoel ooit te zullen hebben. Dat is goed. Misschien is het ook helemaal niet de bedoeling om klaar te zijn, maar om nieuwsgierig te blijven, in beweging te blijven. Enige rusteloosheid lijkt me een voorwaarde om het leven ook echt te beleven in plaats van het voetstoots aan je voorbij te laten gaan. Gelukkig ligt er nog genoeg op mij te wachten: het verder opbouwen van het prille nieuwe contact met S., een relatie met een man, mezelf opnieuw ontdekken als seksueel wezen, een fase zonder operaties en behandelingen. Dit alles gloort, lonkt, maar is er nog niet. Net zoals er nog vele losse eindjes uit mijn oude leven zijn: M., het contact met mijn familie, de laatste lichamelijke echo’s van mijn mannenbestaan. Deze kluwen van alle onaffe dingen – niet echt begonnen en niet echt afgesloten – is de realiteit van een transitie, dat is me de afgelopen jaren wel duidelijk geworden. Het is een reïncarnatie zonder te sterven. Het begint me steeds meer te dagen dat het leven voor iedereen zo is en voor altijd zo zal blijven: in beweging in een kluwen onaffe dingen, voor eeuwig in transitie. Omdat we het leven niet op een andere manier kunnen leven. Omdat we onbewust doodsbang zijn voor de leegte tussen het oude en het nieuwe. Omdat we zouden stikken in het zuurstofloze vacuüm.

De afgelopen jaren hielden Lisa en Erik elkaar vast in een ferme greep. Ik voel hoe ze elkaar aan het loslaten zijn. Aarzelend, als de handen van twee geliefden die weten dat het onvermijdelijke afscheid nabij is. De warmte van de handpalmen ontsnapt in de frisse lucht die ertussen ontstaat. Vingers glijden over handpalmen, vingers glijden over vingers, kootje voor kootje en in een laatste tedere streling kussen de vingertoppen elkaar. Tot zich met een siddering een nieuwe wereld opent, waarin zelfs het licht anders is. Een laatste zuchtje wind opent mijn hart voor mijn dierbare Erik, de man die het aandurfde zichzelf te betwijfelen.

donderdag 23 februari 2017

Inparkeren

Het was net een parkeersensor: een enkele bliep en daarna een lange stilte, om aan te geven dat de afstand nog heel groot was. Af en toe een teken van leven, van mij naar S., om hem te laten weten dat ik aan hem dacht. Dat ik van hem hield. En dat hij welkom was, wanneer hij er aan toe zou zijn. Eind vorig jaar nam de frequentie toe, alsof we eindelijk, heel langzaam, gingen inparkeren. Bliep… een Whatsapp-gesprekje rond zijn verjaardag. Bliep… een opgestuurde chocoladeletter S met gedicht rond Sinterklaas, beantwoord met een welgemeend dankjewel. Bliep… een berichtje in de nacht van Oud & Nieuw, op zijn initiatief nog wel. Drie keer kort contact in zes weken tijd. De frequentie nam toe. Onmiskenbaar. Naderden we elkaar of was het toeval, ingegeven door het ritme van de kalender? Januari zou het leren.

Het bleef stil in januari en dat knaagde. Ik voelde weer de leegte die zo gewoon was geworden de afgelopen twee jaar. Met een kunstmatige vraag via Whatsapp van mijn kant – Hoe is het schat? – probeerde ik het nieuwe ritme krampachtig levend te houden, te bang om los te laten wat er aan het ontluiken leek. Of beeldde ik me dat momentum maar in, verblind door gemis en verlangen? Bliep. Mijn telefoon trilde. Een kort gesprekje volgde: vier, vijf zinnetjes bliepten over en weer. Ik schreef dat ik van hem hield, herhaalde dat ik hem niet kwalijk nam dat hij twee jaar geleden voor afstand koos. En zei dat ik hem miste. Dezelfde boodschap en hetzelfde schrijnende maar verstandige geduld met mijn eigen verlangen. Ik moest afwachten. Beschikbaar blijven. Het initiatief aan hem laten. Zoals ik al twee jaar deed. Een strategie die nog wel jaren kon duren, tergend, maar het was de enige optie die ik had, wilde ik hem niet verder wegjagen.

Tot, geheel onverwacht, gisteren ineens een vraag kwam. Een echte, serieuze vraag. De droge bliep waarmee het op mijn telefoon binnenkwam deed geen recht aan de grote knal waarmee ons contact door de geluidsbarrière ging. Hij wilde weten waarom zijn moeder en ik destijds gescheiden waren, toen hij nog geen drie jaar oud was. “Ik heb een gesprek gehad vandaag met iemand en die heeft me 180 gedraaid en ik wil even wat vragen stellen”, motiveerde hij zijn directheid. Mijn hart bonkte op adrenaline. Dit was het moment: een opening, een kier. Met trillende handen vol ongeloof en ontzag voor het moment, raakte ik een voor een de letters op het scherm aan. Emoties van boosheid, ongeduld en gekrenkte trots grepen steeds naar de macht. Het besef van deze unieke, misschien wel eenmalige kans op herstel van vertrouwen, hield me bij de les. Het ging niet om de egopatronen van mijn beschadigd verleden. Hier lag een kans op oprecht contact, waarbij de grootste uitdaging niet was om S. in zijn volledige waarde te zien, maar juist mezelf. Ik antwoordde, eerlijk en met respect naar mijn ex. Bliep. Een nieuwe vraag volgde. Bliep. En nog een. S. durfde de denkbeelden ter discussie te stellen die hem de afgelopen jaren hadden verzekerd van de loyaliteit van degene van wie hij zo afhankelijk was geweest. Met elke vraag, en elk antwoord, verruimde hij zijn horizon. De bliepjes volgden elkaar steeds sneller op en ik voelde zijn achterdocht, zijn afstand, zijn angst steeds kleiner worden. Alsof we met elk bliepje weer langzaam achteruit inparkeerden in elkaars leven.

vrijdag 27 januari 2017

Ruggengraat

De warmte van zijn lijf strijkt over mijn blote rug. Er zit niet meer dan een centimeter tussen ons in. “Kom maar”, zegt hij terwijl hij met zijn vingertoppen op mijn schouders mij zachtjes tegen hem aan trekt. Hij staat achter me en ik ben een tikje van mijn stuk gebracht. Ik probeer me te ontspannen en ik voel hoe mijn rug contact maakt met zijn lichaam. Hij slaat zijn armen om me heen, onder mijn oksels langs. Ik steek mijn armen omhoog en zijn handen vinden hun weg naar mijn nek. “Leg je handen eens op die van mij”, hoor ik vlak bij mijn oor. Langzaam laat ik mijn handen naar mijn nek gaan en daar vind ik zijn warme, grote handen. Ik wil mijn hoofd draaien en over mijn schouder in zijn helder blauwe ogen kijken. “Komt-ie”, hoor ik nog net voordat ik met drie droge knakken een paar wervels van mijn ruggengraat los voel schieten. Ik voel het leven weer in mijn rug stromen en hoor mezelf kreunen van opluchting.

“Ga maar op je rug liggen”, zegt de vriendelijke fysiotherapeut en hij klopt met zijn vlakke hand even op de behandeltafel. Ik volg gedwee. Terug in de realiteit. Deze man raakt me beroepsmatig aan. Ik voel hem, zie hem en ruik hem en kan alleen maar denken aan hoe ik hem zou aanraken. Maar zo zijn de taken niet verdeeld. Hij is de fysiotherapeut die mijn rug weer losmaakt; ik ben de onfortuinlijke patiënt die vorige week door haar rug ging. Zal ik? Durf ik? Misschien is hij wel getrouwd. Drie kinderen. Homo? Nee, geen homo. Denk ik. Ik wil een date. Zoenen. En zo. Dat kan toch niet, hij is mijn fysiotherapeut. Nou en? Fysiotherapeuten daten ook. Met patiënten? Eh…

Mijn koortsachtige gepieker stopt wanneer ik mijn rug nogmaals hoor knakken. Nu schieten andere wervels los. De aantrekkelijke man leunt over me heen, met zijn vuist onder mijn rug, en duwt. Ik onderga het. Ik doe niets. Ik zeg niets. Ik vraag niets. Ik durf niet. Te bang voor afwijzing. Tsss, wie wil er nu een transgender daten. Een transgender zonder ruggengraat zelfs.

zondag 15 januari 2017

Juffrouw Mier

Vanwege uitstelgedrag was ik tien minuten te laat. Precies die tien minuten waarin het ineens hard ging regenen waardoor ik nu zeiknat het eetcafé binnenkom. Mijn haren doen op geen enkele wijze meer herinneren aan de föhn die ik een half uurtje geleden zo kundig gehanteerd had. Terwijl iets aan deze situatie me vagelijk aan Bridget Jones doet denken, zie ik hem. De lange man aan de andere kant van het café staat op en loopt naar me toe. Ik zie het meteen. Of eigenlijk zie ik niks. Ik zie niks dat me doet herinneren aan de knuffel van vorige week. Ik weet wat dit betekent. Ik weet waar mijn uitstelgedrag vandaan kwam: ik heb me vergist. Wat doe ik hier? Wat dacht ik nou? Deze man is op geen enkele manier aantrekkelijk. Vriendelijk, dat wel. Hij kust me op de wang en helpt me uit mijn druipende jas, terwijl ik me afvraag wat ik nou precies beleefd heb, vorige week, tijdens de knuffel.

Midden in de besneeuwde bossen rond Hilversum is het stil. In de grote ruimte zitten tientallen mensen op kussens of stoeltjes. De meeste hebben hun ogen al weer open. Zojuist klonk het belletje ter afsluiting van de meditatie. Langzaam komt er beweging. Mensen staan op, sommigen knuffelen elkaar ter bezegeling van de gewijde sfeer van universele verbondenheid die zo voelbaar werd door de meditatie. Als lid van het organiserend comité moet ik meteen in de regel-modus, dus ik sta op en al juffrouw-Mierend loop ik naar de deur. Een lange man staat ook op en spreekt me aan: “Leuk om jou zo hier de boel te zien regelen. Dat past wel bij je geloof ik he?”. Hij lacht. Ik lach terug en weet niet zo goed wat te zeggen. Ik hoor mezelf stamelen en zie mezelf een paar aandoenlijke, haast verlegen bewegingen maken. De man glimlacht nog enthousiaster en spreid zijn armen. In een automatisme ga ik op zijn uitnodiging in. De knuffelcode van een langdurige single: laat geen moment onbenut om te knuffelen. Als een dorstige in een oase. Voor je het weet ben je weer eenzaam in de woestijn.

Terwijl we elkaar omhelzen, voel ik zijn sterke mannelijke energie. Stevigheid, focus en kracht. Heerlijk. Kwaliteiten waar ik rustig van wordt. En terwijl ik me laaf aan deze energie voel ik iets in hem aan me trekken. Hij wil mij. Ik voel het. Ik voel me vrouwelijker worden door deze erkenning. Even word ik er blij van. Maar wat betekent dit? Wat wil ik? Wat voel ik? Geen idee. Totaal geen idee. Alsof deze aantrekking uit een ander universum komt. Buitenaards voor een juffrouw Mier als ik. O jee. O nee. Wat ingewikkeld. Ik raak in paniek. “Ik moet nu even de thee gaan regelen”, zeg ik en ik wurm me uit de omhelzing. “Zullen we een keer koffie gaan drinken?”, vraagt hij. Ik lach vriendelijk naar hem en aarzel. Ik voel blijdschap. Blijdschap om mijn vrouwelijkheid die ik via hem sterker voel dan via mijn eigen badkamerspiegel. “Wie weet”, hoor ik mezelf zeggen. Wat zeg ik nu? Playing hard to get? Of is dit een subassertieve manier van afwimpelen? Wat wil ik eigenlijk? Wil ik iets met hem proberen? Mijn puberbrein komt er maar niet achter. “Mag ik je mijn telefoonnummer geven?”, dringt hij aan. Ik haal opgelucht adem. “Ja hoor”. Dat was een makkelijke aftocht. Met een briefje in mijn hand loop ik weg. Een week vol twijfels tegemoet.

Het was L. die helderheid schiep. Ik bleef maar twijfelen: iets hield me tegen om te bellen, maar iets hield me ook tegen het briefje weg te gooien en het te vergeten. Het was namelijk wel spannend en het bood ook een kans. Ik kwam er niet uit. Met een voortdurend verlangen naar ontmaagding op de achtergrond is het lastig om situaties te beoordelen, zo bleek maar weer. Totdat L. zei: “Bellen betekent niet dat je gaat trouwen, of dat je je laat ontmaagden. Bellen betekent dat je een kop koffie gaat drinken”. Inderdaad. Waarom zou ik het niet gewoon gaan ervaren? Om beter te begrijpen wat mannen in mij zien. Beter begrijpen welke signalen ik uitzend. Begrijpen wat ik wil. Dus hier stond ik. Druipend en wel. En ik wist het. Meteen al bij binnenkomst. Het verlangen dat ik de vorige keer in hem had gevoeld was niet wederzijds. Ik dronk een kop thee. We spraken wat met elkaar. Mijn signalen waren duidelijk deze keer. Zonder woorden begreep hij het. En met drie zoenen op de wang namen we afscheid. Juffrouw Mier had weer iets geleerd over volwassen worden.

zondag 8 januari 2017

Witte plek op de kaart

Een waterig winterzonnetje verlicht het park. Warm ingepakt wandel ik over een schelpenpaadje. Dit paadje was er een half jaar geleden nog niet. Ik had al gezien dat het was aangelegd, maar dit is de eerste keer dat ik er op loop. Als een ontdekkingsreiziger een witte plek intekenend op de kaart in mijn hoofd. Daar hou ik van. Ik wil elk straatje, elk steegje in deze stad ooit gezien en belopen hebben. Niet obsessief, maar als de gelegenheid zich voordoet om een weg in te slaan die ik nog niet ken, dan zal ik het zeker niet nalaten. Puur om de lol van het ontdekken. Een onschuldige afwijking die erfelijk bleek. Regelmatig fietsten S. en ik doelloos door de stad: nergens naar op weg, impulsen volgend. “Naar links” riep hij dan en we gingen naar links. “Naar rechts” en we gingen naar rechts. Als een draad in een weefgetouw maakten we zo zigzaggend langzaam in onze hoofden een kaart van de stad waar we tien jaar geleden kwamen wonen. Ik fulltime, hij parttime naast het leven met zijn moeder in een andere stad.

In allebei onze hoofden zat lang dezelfde kaart. Maar nu niet meer. Er is zoveel veranderd in de stad waar hij nu al twee jaar niet meer is geweest. Gebouwen zijn gesloopt, gebouwen zijn gebouwd. Winkels zijn verdwenen, winkels zijn geopend. Kruispunten zijn heringericht, bomen zijn gerooid. En schelpenpaadjes zijn aangelegd waar eerst enkel ondoordringbare struiken waren. De stad is langzaam een vreemde aan het worden voor S. De stad verandert en er is niks dat ik kan doen om het te stoppen. De stad verandert omdat hij moet veranderen, anders dooft hij langzaam uit. Net zoals een vis moet blijven zwemmen om te kunnen ademen. De stad en S. worden vreemden. Net als S. en ik. Ook wij zijn blijven zwemmen, om niet te stikken. Ook wij zijn veranderd, om niet uit te doven. Wij zijn langzaam maar zeker witte plekken aan het worden. Witte plekken op elkaars kaart, smachtend om ooit weer ontdekt te worden. Ooit. En terwijl ik me afvraag hoe lang ooit eigenlijk nog duurt, slenter ik met een brok in mijn keel over dit onbekende schelpenpaadje een ongewisse toekomst tegemoet.